|
Verhalen
Hele
dooier
Als het vrijdag de 13de
mei is geworden, in het jaar 1994, ga ik de eerste
maaltijd maken die wij samen zullen opeten. Het zal de dag zijn
waarop we elkaar vasthouden en beseffen dat er geen andere weg
is, dan die wij samen gaan lopen.
Je zei:"Voor je het weet zijn we vriendjes."
In die advertentie. Bij
zo’n dating telefoonsysteem, waar nooit iemand anders meer van
verwacht dan oppervlakkige seks ontmoetingen.
"Ik wil je graag tegenkomen. Zien en voelen wie je bent." Zei
je, toen ik je via datzelfde systeem echt aan de lijn had. Ik
vertelde dat ik zou komen op onze ontmoetingsplaats met mijn
geleidehond de bouvier. En zo wist jij dat ik anders zou kijken
dan jij.
Je stem gleed mijn buik in. Je landde in mijn hart en mijn ziel
wist het zeker.
Onzinnige verliefd
doenerij, sputterde ik nog. Maar zo zacht dat mijn eigen oren
het niet eens konden waarnemen. En natuurlijk maak ik preitaart.
Want preitaart lukt altijd en is zo feestelijk. Ik heb een
achthoekige tafel, zodat jij vlakbij op aanraak afstand van mij
gaat zitten. Mijn vingertoppen glijden over je wollen truiarm en
de haartjes op je pols. Met mijn andere hand geef ik je
voorzichtig een groot mes en als vanzelf pak je het aan. Jij
gaat de taart snijden.
"Prachtig," zeg je bewonderend. "Deze taart is een gedicht."
Je schuift een lekker stuk op mijn bord en geeft jezelf ook van
dit heerlijks.
"Eten is fijn. Daar word
ik zo gelukkig van. En we hebben zomaar iedere dag een bord met
warm eten. Zoveel en zo lekker als we maar willen" Zeg je,
terwijl je de eerste hap neemt.
Deze woorden zullen iedere warme maaltijd sieren die wij samen
nuttigen. Ik ben er zo dankbaar voor, dat jij stilstaat bij dit
feit. Eten is heerlijk en niet vanzelfsprekend. Daarom zal het
fijn worden, om iedere dag een maaltijd voor ons te maken.
"Slokje wijn?" vraag je. En je stem is zacht en uitnodigend. Het
is een vraag om een zoen of een streling. Je reikt mij het glas.
"Legajim! Op ons en op onze liefde" roep je vrolijk en ik lach
stralend. De avond geeft ons muziek die jij speelt. Verhalen
over jouw leven. Anekdotes over het mijne. De zachte aanraking
van het samen zijn.
Als we de morgen instappen, begroet door de lentevogels en mijn
zwarte hond, maak jij een ontbijt voor mij en voor jou. Je bakt
eieren met spek en ik dek de tafel.
"Wacht," zeg je als ik mijn mes en vork pak om te gaan smullen.
Je trekt mijn bord naar je toe. Met langzame, rustige en
zorgvuldige bewegingen, snijd je precies om de dooier heen,
terwijl je zegt:
"Ik ga het aller-lekkerste hapje voor je eruit snijden. Proef en
zeg me hoe dit is."
Je prikt de hap aan de vork. Ik hoor het je doen en als vanzelf
open ik mijn mond. Ik hap en geniet zo intens, dat ik het tot
onder in mijn buik voel kriebelen.
"Lekker?" Vraag je uitbundig.
Voor het eerst en voor het
laatst eet ik de heerlijkste hele dooier. In een hap naar
binnen.
Zo zal het zijn. Het lekkerst het eerst. Gevuld met Liefde,
waanzin, angst, op de vlucht en weer terug komen. Het is
onontkoombaar. Deze dooier zal ik moeten eten. En ik eet en eet.
Alles gevuld met onze verhalen.
Willemeine Bol
3 december 2009
Toverhanden
Daar zat ze. Het theater
kon beginnen. Ze zat in de hoek van de kring het middelpunt te
zijn. Links van haar op een lage tafel een groot glas wijn, een
asbak en een pakje Cabalero, rechts weer een van de gasten die
aan het theater mee wilde doen.
De Zigeunerkoningin was
weer ten tonele verschenen. Ik liep tussen de mensen door
gastvrouw te spelen en verbaasde me ondertussen over hoe het
mogelijk was dat je iemand zo kon haten. Lelijk oud wijf. Alles
moest om haar draaien. Aandacht, aandacht en nog eens aandacht.
Om gek van te worden. Haar doorgerookte kraakstem te horen was
voldoende om mij te doen beven van binnen. Ondanks dat ik het
wel begreep kon ik toch niet omgaan met haar kwaadaardigheid.
Getekend en gemangeld door het leven was ze. En daardoor ook
haar kinderen en dat was wat me zo boos maakte.
Maar ze ging handlezen nu.
Ze vertelde aan liefhebbers hoe hun toekomst eruit zou zien. Dat
is mooi dacht ik, want dan heeft ze wat te doen en hoeft ze niet
door quasi leuk doen anderen te kwetsen.
De heks. Maar ze kon wel
wat, die dame. Het was ook mij overkomen dat ze dingen kon zien
die ze echt niet had kunnen weten.
Eerlijkheidshalve en ook
nog trots moest ik wel toegeven dat haar zoon ook een heks was.
De eerste keer dat ik zijn handen ontmoette ging mijn aarde
tenslotte beven. Nou oké, toegegeven. Ik was verliefd, maar dan
toch ook op die handen. Hij kon er mee praten door je simpel
beet te pakken of een aai te geven. Hij kon pijn in mensen hun
hoofd en hun lijf weghalen. Hij kon prachtig piano spelen en
schilderen. Maar het gekste was nog wel dat hijstaal kon laten
buigen. Hij wreef een lepel net zolang tot ie buigzaam werd en
dan boog hij de twee uiteinden gewoon naar elkaar toe als was
het kauwgom. Hij maakte mijn mooie lepeltjes ook weer recht.
Hij kon een voorwerp in de
hand nemen en dan een verhaal vertellen over de mens die bij dat
voorwerp hoorde.
Als het onweerde en
bliksemde, of het vuurwerk denderde door de lucht, dan streelde
hij mijn bouvier Adje die dan ging slapen in plaats van beven.
Ik dacht aan al die dingen
terwijl zijn moeder de clown speelde en zoals gewoonlijk de
lachers op haar hand had.
Zelfs haar moederliefde leek theater. Je wist nooit of ze iets
echt meende of niet. Maar haar handen konden niet liegen. Als ze
me beetpakte voelde ik haar gekwetste trots en diepe angst voor
het leven zelf.
Nu waren het mijn handen
die hem konden doen genezen. Ze konden ook praten. Zij vertelden
aan hem wat ze allemaal hadden gezien in de loop van de tijd.
Bomen, stenen, bloemen, dieren en mensen. Allemaal met hun eigen
geschiedenis. Verstaan en begrepen door te kijken en te lezen
met mijn handen.
En zo maakten wij samen een verhaal. We toverden cirkels van
liefde. We bouwden prachtige zand- en luchtkastelen. We bakten
steeds een nieuwe appeltaart als de ouwe op was. We streelden
elkaars verdriet en boosheid weg en hielden elkaar vast als we
bang waren. We liepen hand in hand door het leven en dansten de
vlinders achterna.
Onze handen deden het
werk. Wij hoefden alleen maar te dromen en elkaar lief te
hebben.
Willemeine Bol
Liefdes
puntjes
Ik
zal nooit weten hoe het kwam, dat we elkaar vier jaar lang
iedere week een brief stuurden. Alleen tijdens de vakanties, als
we allebei thuis waren, lazen we of hoorden we niets van elkaar.
Ik leefde in die tijd van de ene braille brief naar de andere.
Ze waren bruin, breed, gemaakt met een braille machine en
dichtgeplakt met plakband. Op de dag dat de post kwam, rende ik
van school naar het internaatsgebouw. Soms kwam de post later,
maar ik wist zeker dat het die dag goed zou komen. En ik ben
nooit teleurgesteld.
Ik ontmoette hem op het hoekje van de zijgang en de gang die
naar de grote voordeur liep. Ik was onderweg om de broodtrommel
te halen. Dat deed ik bijna iedere dag. Ik wilde zorgen en
dingen regelen, zodat de groepsleiding mij zou waarderen en lief
zou vinden. Ik hoopte daarmee wat evenwicht te maken, want het
moet niet altijd makkelijk zijn geweest mij in de groep te
hebben. Ik was brutaal, zei wat ik dacht en ging mijn eigen weg.
De
internaatsgangen waren net straten. Je kon er zingend in rennen,
huppelen of wandelen. Trapjes op en af. Deuren links en rechts.
Als kind was ik er veilig en thuis. Ik hield ervan om te zwerven
door het grote gebouw. Ik klom naar boven en beneden, verstopte
mij op de grote zolders en in kelders, om vaak weg te kunnen
zijn uit de groep.
Toen ik
de broodtrommel wilde pakken, liet ik me afleiden. Ik weet niet
wat er gebeurde, maar ik liep de broodkamer voorbij, de vier
trapjes op en ging om het hoekje met mijn rug tegen de muur
leunen. Er kwam iemand. Ik hoorde hem naderen op zachte voeten.
Hij bleef voor me staan. Zo kon ik horen dat hij even groot was
als ik. Ik kon hem met mijn ogen niet zien, maar ik wist dat hij
een jongen was. Hij zag mij duidelijk wel. Hij liep niet door.
Waarom niet?
“Hallo”
zei hij zacht met een vriendelijk zuidelijk accent.
“Hallo”
zei ik verlegen en er bewoog iets in mijn buik en in mijn
voeten. Als vanzelf liepen we samen de weg terug die ik gekomen
was, waarbij ik er zelfs aan dacht de broodtrommel mee te nemen.
Een lange gang door, de hoek om naar links, rechtsaf de deur in
waar ik de trap op moest naar de eerste verdieping. Maar ik liep
de trap voorbij en ging met hem mee naar de achterdeur, die
uitkwam op het kleine straatje naast het gebouw. Dat kende ik
goed, want daar had ik mezelf op straat leren fietsen.
”Hoe
heet jij?” vroeg ik stilletjes.
“Ik heet
Mattie. En jij?”
Ik
noemde mijn naam. Hij vertelde wat hij kwam doen en dat hij weer
terug ging naar het jongens internaat. Hij stapte de zon in weg
over het grint en was verdwenen.
Iedere
dag bracht hij een kleine jongen naar ons meisjesinternaat. En
iedere dag wachtte ik bij de broodtrommels op hem. We zeiden
hallo. Liepen naar de achterdeur en zeiden dag. Meer woorden
waren er niet. Een keer vroeg hij:
“Ga je
mee zwemmen?”
Ik
schrok van zijn vraag en durfde niet zomaar weg te lopen, dus
zei ik nee.
Ik vond
de weg naar de plek waar hij woonde en zorgde voor uitstapjes
met vriendinnen naar het jongens internaat. We hingen rond bij
de binnenplaats waar hij voetbalde en af en toe iets kwam
vertellen. Ik loodste zelfs mijn vriendinnen mee naar het
schoollokaal, waar mijnheer Dominicus ons vriendelijk doch
beslist weer naar buiten manoeuvreerde. Alles deed ik om hem te
kunnen benaderen. De leiding regelde ook wel het een en ander en
zo bleef ik hem tegenkomen. Als de jongens bij ons op school
kwamen zwemmen, tijdens onze gymnastiekles, lag ik met mijn oor
op de grond, om te horen of hij daar beneden in het zwembad was.
Ik treuzelde met aankleden.
Een jaar
later verhuisde het jongens internaat naar een andere stad. Ik
kon niet meer op hem wachten en hem steels ontmoeten. Ik was
ontroostbaar en huilde ’s avonds in mijn bed boze tranen.
Wij
verhuisden naar een modern nieuw internaatsgebouw, waar ik al
heel gauw de hoeken en gaten, de kelders en de zolders miste. Ik
kon me niet meer verstoppen. Er was veel licht en ruimte, maar
veilig was ik er niet meer. Er was een brede lange corridor met
rechts ramen en links zijgangen. Daar kon ik wel weer rennen. En
ergens in die rechte lange gang stond die kast met 12 deurtjes
waarachter de post werd gesorteerd. Het middelste deurtje van de
drie bovenste was voor de groep waar ik in woonde. Die kast had
een magische aantrekkingskracht op mij. Als ik in die gang
rende, fietste, stepte of rolschaatste, ging ik kijken achter
dat deurtje of er post was. Want ik leerde schrijven op een
schrijfmachine. Ik typte iedere week mijn belevenissen, stopte
de brief in een enveloppe en deed hem op de post. Iedere week
ontving ik zijn verhalen. Ik werd 13 jaar. Ik werd 14 en 15
jaar. De post lag achter een ander deurtje want ik verhuisde
naar een andere groep. En hij bleef altijd op de achtergrond
aanwezig. Soms konden we elkaar ontmoeten, als er iets werd
georganiseerd. Een schoolreis van een week naar Zeeland. Een
liturgiedienst in onze ronde kapel. Een dagje naar hun
internaat. Hoe het kwam, of wat er ook gebeurde, we zochten
elkaar altijd op. We liepen stiekem weg bij de groep. We aten
samen een ijsje. We zaten naast elkaar in de bus op die
schoolreis. We zaten naast elkaar tijdens gedeelde maaltijden.
Ik bezocht vaker het jongensinternaat en daar zat ik met
vriendinnen op zijn kamer, waar de braille machine stond en hij
zich verbaasde over mijn engelen haar. Hij vertelde over zijn
droom. Hij zou bouwkundig tekenaar worden. Hij werd een mooie
lange jongen en tekende vrouwenkopjes waar hij de vrouwelijke
leiding charmant mee verleidde. Hij zocht mij op toen ik in het
ziekenhuis moest liggen. Soms belde hij me op en wisten we niets
te vertellen.
En
altijd nog al die jaren iedere week een brief.
Wat is
er in mij aangeraakt? Hoe kon dit gebeuren? Hoe kon ik vier jaar
lang zo verliefd zijn? Wat heeft hem bezield? We wisselden
nauwelijks een woord. We waren dodelijk verlegen. Ik rende met
hem hand in hand door de kleine stad en voelde me veilig en
beschermd. We vonden woorden in onze brieven. We vonden taal in
hand in hand lopen.
En zo
stil als het was begonnen, hield het ook weer op. Zonder slag of
stoot, zonder bliksem of donder, zonder tranen of woorden,
verdween hij uit mijn leven.
Wie was
hij? Wat heeft hij vertegenwoordigd? Nooit zal ik het weten. Was
het liefde? Of kenden onze zielen elkaar al honderden jaren.
Sneek 30
mei 2009
Willemeine Bol
Nieuwe
verhalen
Brief aan
mijn lief Robertus Schrijver
Ze zeggen dat vijftig worden een mijlpaal is in je leven.
Wat mij betreft klopt dit, want toen ik vijftig werd werd
jij zo ziek dat je niet meer hebt gewacht tot het voorjaar.
Lief je bent zo ver weg. Ik heb niet geweten dat er nog
gradaties bestaan in het begrip van weg zijn. Je bent niet
even boodschappen doen, je bent niet op vakantie, je bent
ook niet even een pakje sigaretten halen, om zodoende nooit
meer terug te komen, nee je bent verdwenen niet meer in deze
wereld. Je stuurde mij een eenzame wilde gans als een
afscheidsgroet, om mij te laten weten dat je ging vertrekken
naar de wereld van de geesten, de wereld van het licht. Ik
weet het. Je was blij datje mocht vertrekken. Je koos zelf
om op reis te gaan. Je kocht een ticket enkele reis en ik?
Ik kon je alleen maar uitzwaaien. Er was geen sprake van een
retourtje. Ik zal dat ticket ook eens gaan kopen. Ik weet
niet of ik dan op het goede station zal uitstappen om jou
weer te zien. De hoop geeft mij wel dat beeld en dus heb ik
tot ziens gezegd. In de tien dagen dat je nog hier was heb
je je leven rond gemaakt.
Dat heb je goed gedaan. Zo goed dat wij er mee verder
kunnen. Je was groots en grootmoedig en dat heb ik en de
mensen om ons heen mee kunnen nemen. Ik wilde dat je
begraven zou worden. Ik wilde je wegbrengen met een oude
boerenkar en een prachtige fries ervoor. Ik wilde warmte,
lievigheid, gezelligheid, een hapje en een drankje.
"Regel het maar" zei je. "Het is jou feestje."
En zo is het ook. Nu kan ik met mijn vriendinnen en
iedereen die erbij was eindeloos keutelen en delen hoe
geweldig deze dag was. De dag van het wegbrengen van jou
lichaam. Je was veranderd in een pop, maar toch hadden we
iets tastbaars om te gaan beseffen dat je weg was en nooit
meer terug zou komen.
Heb je beseft lief toen je de kist zag, die Tjibke, de
uitvaartondernemer met zijn vrouw naar boven droegen zodat
jij hem kon zien, dat jouw lichaam daar in zou komen te
liggen? Je wilde in het stro lekker warm en knus. Weet je
lief, dat toen de kist in de woonkamer stond de poes Karel
er als eerste in zat? Heb je nog gezien dat je broer en je
dochter wilde dat je hoofd zacht zou liggen? Je broer vond
het vreselijk dat stro. Het was nog moeilijk om je recht te
leggen de kist was nogal smal je paste maar net.
Ik heb samen met Tjibke je lichaam gewassen en
aangekleed. Dat viel nog niet mee zo groot en zwaar was jou
lijf. Je mooie eilandtrui en een lekkere spijkerbroek hebben
we je aangetrokken.
Heb je ook nog gezien dat Monique je
dochter en ik onder de klok zijn gaan staan? Sterk en warm
waren wij samen. Wij deden de wereld cont van jouw vertrek.
Als ik had gedurfd was ik op het dak gaan staan om het daar
te verkondigen aan de hele wereld.
Toen ik op de bok zat van de kar,
helemaal alleen in en bij mezelf, hoorde ik alleen nog het
ratelen van de wielen en het stappen van het paard. Alles
was in de mist. Het dorp liep uit en achter ons was een file
van twee kilometer. En dat in Woudsend! Geweldig!
Lief we hebben je groots begraven. Het was als een
theaterstuk. Als ik nu de video zie, dan is het net een film
waar ik een rol in mocht spelen. Een prachtige film, die ik
aan iedereen zou willen laten zien. Het stuk gaat over
afscheid, over liefde, over groots en meeslepend leven. Over
samen, over delen. Jouw kist met jouw lichaam erin midden op
het biljart. Wij er omheen. Zo was ook jouw leven. We hebben
gelachen, gehuild en velen hebben besefd wat een groot en
bijzonder mens jij was. Het geel van de zonnebloemen midden
in de winter. Van Gogh mag er trots op zijn dat ons dat is
gelukt.
Met van Gogh gesproken trouwens; ik mag geen cipres op je
graf planten. Je graf is nu nog een heuvel en ook dat mag
niet.
En weet je lief; het alleen zijn gaat me goed af. Het is
soms zelfs fijn. Heb ik van jouw geleerd. Je zei me steeds:
"Ga schrijven."
Je ziet, ik schrijf.
Ik neem je nog steeds mee in mijn binnenzak. Je bent nu,
terwijl ik schrijf, ook om het hoekje. Dat is goed.
Overigens, je had beloofd dat je zou komen spoken. Nou
waar blijf je? Of ben je al te ver weg, zodat je in deze
dimensie niets meer kunt doen.
Ik ga nu stoppen met dit schrijfsel. Ik heb in jou mijn
eigen grootheid en kracht herkend en daarmee kan ik verder.
Jij wist het en daarom kon je mij loslaten om je eigen weg
te gaan. Je wist datje een sterk mens achterliet, die het
zonder jou zou redden. Ik red het, natuurlijk zal wel moeten
toch? Moeten? Nee lief. Ik kies om verder te gaan. Ik zal
weer andere mensen ontmoeten waarin ik mijzelf kan
spiegelen. Nog 1 ding.
Wie gaat mij nu aaien, knuffelen, met mij slapen? Wie
schenkt mij nu een crodino in voor het eten? Wie schept mij
nu een bordje eten op? Wie zegt nu:
"Lief wat heb je lekker eten gemaakt." Wie vertelt mij
nu; ik heb je lief? Wie zegt mij nu "welterusten bolletje"?
Jij zal het nooit meer zeggen en ik ben wéér verlaten.
Dag lief.
Als borstkanker je
pad kruist.
Artikel geschreven voor het tijdschrift MensenLeven.
Door Willemeine Bol
Toen ik in Rwanda woonde wist ik heel zeker dat ik geen
malaria zou krijgen. Vraag me niet hoe; ik wist het gewoon. Een
ziekte die niet bij me paste. Zo voelde dat. Ik slikte geen
profylaxe en ook ik werd door de muggen gestoken. Ik zou gelijk
krijgen. En natuurlijk waren er meer mensen om mij heen die ook
geen malaria kregen.
En zo dacht ik ook zeker te weten dat kanker niet bij mij
hoorde.
Zo rond mijn 25ste ontmoette ik voor het eerst de
klassieke homeopathie. En na enige scepsis, ik werkte toen in de
gezondheidszorg met haar smalle kijk op ziekte en gezondheid,
ontdekte ik een inzicht in ziekte, waar ik mij helemaal in kon
vinden. Een gezonde geest in een gezond lichaam. De emoties als
wegwijzer naar bewustwording en genezing. Ziek worden is dan een
boodschap. Een bordje op je weg dat zegt: stop even. Wat hebben
we hier. Wat zegt dit signaal over mij. Wat kan het vertellen
over gedachtes, overtuigingen, aangeleerde liefdeloosheid naar
mezelf, wat dien ik hier onder ogen te zien. De klassieke
homeopathie beschouwt de unieke mens en niet alleen de
uiteindelijke fysieke manifestatie. Door opvoeding,
ge-en-verboden, normen en waarden binnen de cultuur waarin je
opgroeit, verzamel je een massa overtuigingen waarvan de meeste
onbewust zijn, maar die wel je levensweg mee bepalen en kleuren.
Omdat er zoveel onbewust is, maak je keuzes die niet altijd goed
voor je zijn. Keuzes waar je echt ziek van kan worden. En een
bepaalde ziekte kan dan de eerste stap zijn op de weg naar
bewustwording. De weg terug naar jezelf. Er is nooit sprake van
schuld of boete. Alles wat ik in mijn leven ontmoet, is een
wegwijzer. Een leerproces om steeds meer te leven vanuit bewuste
keuzes. Maar dat valt niet altijd zo mee. Het kan een aardig
tijdje duren, voordat je de weg terug naar jezelf hebt gevonden
en dan is het nog maar helemaal de vraag, of je die weg dan ook
durft te gaan. Want het is niet alleen rozengeur en maneschijn
langs die weg. En dan zijn er de gevoelens die je kunnen helpen
lopen en kijken. En vooral wat voor mij zo’n belangrijke
ontdekking was, je hoeft die weg niet alleen te gaan. Er zijn
veel meer mensen die samen met je willen lopen gewoon omdat ze
op dezelfde weg zijn als jij.
Toen, in 2001, ontmoette ik ook borstkanker. Ik voelde mij
niet ziek, niet moe, niet depressief of iets dergelijks. Ik had
een leuke baan, woonde met mijn lief in een leuk dorp in een
leuk huis. Alles in orde dacht ik.
En zomaar op een ochtend daar was het. Ook ik ontdekte een
harde knobbel in mijn borst. Ik maakte contact met de klassieke
homeopathe die mij al zovel jaren kende. Ze antwoordde dat ze
niets voor me kon doen. Maar ze gaf me een wegwijzer. Kanker is
een uiting van gestolde tranen. En met die boodschap kon ik aan
de klus beginnen.
Ik had niet de moed om de keiharde vorm van de fysieke kant
van de ziekte, met alternatieve genezing te lijf te gaan. Gewoon
de moed niet. Ik ging dus ook op de operatietafel. De chirurg
sneed weg dat wat ziek was. Ik hield nog een tietje over, maar
dat is nu wel een stuk kleiner dan mijn andere borst. Omdat
niemand een risico wil en durft nemen, onderging ik de chemo
kuur en de bestraling. Ik ben nog nooit zo moe geweest. En ik
wist het zeker. Dit is even een klus die ik moet doen en daarna
ga ik echt aan het werk. Na drie maanden was het klaar. Ik woog
kilo’s lichter en voelde mij hoopvol en kwetsbaar. De boodschap
was me duidelijk, maar hoe kon ik de gestolde tranen weer
vloeibaar krijgen? Wat kon ik doen om ook bang, verdrietig,
boos, wanhopig, klein, kwetsbaar, falend, lelijk, wantrouwend,
argwanend, arrogant te mogen zijn en toch van mezelf te houden?
Ik wist dat al het falen en al de lelijke kanten in mijn
karakter uit angst geboren waren. Maar omdat echt te durven
voelen?
Ik ging niet meer op controle bij artsen. Die hadden hun taak
gedaan, waar ik ze dankbaar voor was. Ik ging leren huilen. Ik
ging leren hoe ik alles kon laten stromen; laten overstromen;
beminnen; en liefhebben. En vooral mezelf.
Ik ontdekte via een vriendin de methode emotioneel
lichaamswerk. Niet meer lullen, maar voelen. Niet meer erover
praten, maar echt ervaren wat het betekent om alle emoties toe
te laten.
Toen ik de keus had gemaakt ging de rest bijna vanzelf. Maar
niet zonder slag of stoot. Een van de medewerkers hield me vast,
anders was ik alsnog weer weg gelopen. Zo groot is de angst voor
dat wat we voelen. Ik liet me meevoeren op de weg terug naar
binnen. Het was keihard werken, want emotioneel lichaamswerk
vraagt van je, dat je door de spierspanning van het lichaam los
te laten en te gaan voelen en de emoties naar buiten te laten
gaan.
Ik huilde een oceaan van tranen. Ik werd vloeibaar.
Over deze methode is nog veel meer te zeggen natuurlijk maar
dat voert hier te ver. Het heeft mij gegeven, dat de tranen niet
meer hoeven te stollen. Deze ziekte heeft mij geleerd, dat elke
ziekte een wegwijzer kan zijn. Een bewustwording van jouw
onbewuste zelf, die zo graag gezien wil worden. Alles wat gezien
wordt, heeft licht en lucht nodig en acceptatie. Een lastige
klus, maar erg heilzaam en liefdevol. En het heeft mij het besef
gegeven, dat ik geen slachtoffer hoef te zijn, maar alles in
eigen hand kan nemen en zelf de verantwoordelijkheid kan dragen.
Kwetsbaar en oersterk tegelijkertijd.
Mei 2010
|